Kees de Ruwe | De Ruwe projectmanagement

Anderhalf muntje

Daags na de Tour besluit ik maar weer eens naar Boxmeer te gaan. Het is zeker twintig jaar geleden dat ik daar voor het laatst was. Dat moet geweest zijn in het jaar dat Erik Breukink in de Tour tweede of derde werd. Dat kan ik me niet meer precies herinneren. De jaren daarvoor bezocht ik het spektakel regelmatig. Ik heb er Joop Zoetemelk zien winnen, Henk Lubberding en wijlen de Kneet, en later Peter Winnen en Jean-Paul van Poppel. In die tijd stapte je vanuit de trein direct het parcours op. Dat had een lengte van 4 kilometer, zodat je de renners 25 keer kon zien langskomen. Voor je behoeften – eten, drinken, plassen – moest je een bezoek brengen aan een van de vele kroegen langs het parcours. Dranghekken waren er alleen bij de finish en je betaalde alles contant. Het was vooral een gezellig rommeltje.
Wat me bezielt om na zoveel jaren opnieuw het evenement aan te doen, weet ik niet precies, maar het heeft iets te maken met het doorzettingsvermogen van Johnny Hoogerland en de courage van de piepjonge Rob Ruygh. De een die met vleeswonden in zijn lijf de bolletjestrui veroverde en daarna met drieëndertig hechtingen de Tour al demarrerend uitreed. De ander die na de Giro d’Italia zijn ploegleider zo lang aan zijn kop zeurde om mee te mogen naar de Tour, daar eenmaal aangekomen als brutaal gastje rondreed en niet alleen als beste van zijn ploeg, maar ook van heel Nederland finishte. Nieuwe helden. Bravo!
Als ik uit de trein stap, bemerk ik direct dat er van alles is veranderd. Ik kom niet aanstonds op het parcours, maar moet eerst een paar honderd meter lopen naar de ingang, waar ik voor vijftien euro een toegangskaartje krijg. De prijs valt me tegen. In mijn herinnering betaalde ik vroeger hooguit een tientje; en toen waren er nog geen euro’s. Eenmaal binnen zie ik dat het gezellige rommeltje is getransformeerd in een overgereguleerde eenheidsworst. Dranghekken langs het hele parcours, standaard mobiele wc’s en dito dranktentjes; groen met wit tentdoek en formica barretje. En verder eetcampers van een en dezelfde cateraar; keuze uit een hamburger, cheeseburger of broodje gezond, kaas-ham-ei-schijfje-komkommer-plakje-tomaat-blaadje-sla-mayonaise. Hoezo gezond? Ik heb nog niet gegeten.
Het parcours blijkt een stuk korter dan vroeger. Hoeveel korter wordt verteld door de enigszins overspannen klinkende rondespeeker, als hij aankondigt dat de matadoren van de dunne bandjes (zijn woorden, niet de mijne) 50 keer de finish zullen passeren. Ik krijg dus twee keer zoveel waar voor mijn geld dan vroeger. Nu begrijp ik ook waarom het entreegeld veel hoger is dan ik me kan herinneren. Verder valt me op dat er, behalve twee volslagen onbekende Duitsers, geen buitenlandse renners op de startlijst staan. Vandaar dat Gert Jacobs, die de afgelopen drie weken op de televisie faam heeft verworven als nationale wielerclown door elke dag tegen beter weten in te roepen dat er een Nederlander zou gaan winnen, nu door de microfoon brult dat hij zeker weet dat er vandaag een Nederlander gaat winnen. Ik gok erop dat het zal gaan tussen de twee nieuwe helden.
Als ik bij een van de vele dranktentjes een biertje bestel, krijg ik te horen dat ik daarvoor een muntje nodig heb en dat ik die op een andere plek moet gaan kopen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik krijg er vijf voor een tientje. Nadat ik mijn biertje heb gekocht, wandel ik verder langs het parcours. Dat loopt langzaam vol met de opgetrommelde renners. Onze nieuwe helden worden om het hardst toegejuicht en stoppen hier en daar om een praatje te maken. Wielrenners kennen geen voetstukken of het moest voor hun publiek zijn. Het valt me op dat de coureurs die zojuist de Tour hebben beëindigd nog magerder zijn dan hun collega-renners die de Tour niet hebben uitgereden of helemaal niet hebben meegedaan. Die laatste categorie lijkt zelfs iets vadsigs te hebben.
Om klokslag kwart voor acht begint de wedstrijd. Ik heb mij achter een dranghek vlak voor de finish opgesteld en heb naar twee kanten prima uitzicht. Direct na de start ontsnapt Johnny Hoogerland, dit tot groot enthousiasme van het publiek, dat niet wil weten van afgesproken werk. Even later krijgt Johnny gezelschap van iemand die ik niet ken en Lars Boom, die zijn armen losjes over het stuur heeft gelegd. Het peloton maakt ogenschijnlijk verbeten jacht op de ontsnapten, al zitten ze achterin bij een snelheid van 50 kilometer per uur gezellig met elkaar te keuvelen. Na een rondje of tien, als er al weer een nieuwe kopgroep is ontstaan, besluit ik mijn aandacht wat te verleggen omdat mijn maag begint te knorren en ik eigenlijk ook wel weer zin krijg in een biertje. Bij een van de eetkramen verorber ik twee hamburgers – ze lijken mij gezonder dan een broodje gezond – en een blikje bier. Het blikje bier kost me twee euro, geen muntje dus. Ik begrijp daaruit dat een tapbiertje bij een van de vele dranktentjes een muntje kost en een blikbiertje bij een van de vele eetkraampjes twee euro. Ik ben niet van zins mij hierdoor in verwarring te laten brengen en kuier verder langs het parcours, elke paar minuten even halt houdend om de renners te zien langsrazen. De dranghekken onderweg bieden overal plaats genoeg om zicht op het parcours te houden. Gedrongen wordt er alleen in de buurt van de finish en bij de kroegen, waar de bezoekers met van alles en nog wat bezig zijn behalve met de koers.
Al kuierend valt opeens mijn blik op een leitje dat aan een dranktentje is bevestigd. Daarop staat geschreven: ‘bier en fris 1 muntje, rode of witte wijn 1,5 muntje’. Dat treft. Ik heb nog vier muntjes. Ik kan dus nog een biertje drinken en daarna nog twee wijntjes. Lijkt mij ook genoeg. Morgen is er weer een dag. Als ik mijn biertje heb besteld en welgemoed verder kuier, besef ik plotseling dat ik straks een probleem heb, als ik tenminste mijn twee wijntjes niet ineens wil bestellen. Ik heb nog drie muntjes en niet twee keer anderhalf muntje. Ik besluit mij daarover niet te lang het hoofd te breken en als ik mijn blikbiertje achter de kiezen heb, de proef op de som te nemen. Ik stap op het eerste het beste tappunt af. Ook hier een leitje. Ik kijk nog eens goed – heb ik het zojuist wel goed gezien? – maar op het leitje staat toch echt dezelfde tekst. Het bedienend personeel, allemaal jongelui in een keurige zwart-witte oberoutfit, staat wat met elkaar te ginnegappen. Mij hebben ze niet aanstonds in het oog. Op beleefde toon zeg ik, zonder mij tot iemand speciaal te richten: ‘Een rode wijn graag’. Kennelijk heeft men mij gehoord, want een vriendelijk uitziend meisje van naar schatting een jaar of 18 komt op mij af. Op het eerste gezicht bevalt ze mij. Kuiltjes in de wangen, blauwe ogen, blond sluik haar tot op haar schouders, ongeveer mijn lengte, een in alle opzichten prettige en open verschijning. Met haar moet ik zaken kunnen doen. Het meisje vraagt zo vriendelijk als ze er uitziet: ‘Wat mag het zijn, meneer?’. Zo innemend als ik kan, antwoord ik: ‘Een rode wijn graag’. Niet in het minst uit het veld geslagen vraagt ze: ‘En wat nog meer?’. Ik heb hier min of meer op gerekend en zeg vriendelijk: ‘Verder niets’. Nu fronst zij enigszins en zegt: ‘Maar u heeft toch wel gezien dat wij voor wijn anderhalf muntje rekenen?’. ‘Ja, en?’ riposteer ik, waarop zij verbaasd maar blijvend vriendelijk zegt: ‘Nou, halve muntjes bestaan niet, dus moet u altijd twee of vier, in elk geval een even aantal wijntjes bestellen om gepast te kunnen betalen. En als u maar één wijntje wilt, dan moet ik u twee muntjes in rekening brengen. ‘Maar dat is toch volslagen bedotterij’, antwoord ik vol ongeloof. ‘U kunt mij toch niet verplichten om in mijn eentje met twee glazen wijn te gaan rondzeulen!’. ‘Opdracht van de baas, meneer’. En daarna op mijn vraag, of ik dan de baas even mag spreken: ‘De baas is de organisator van het evenement en die kan ik nu niet bereiken, want die zit bij de finish, in de radiowagen’. Een zekere gelatenheid komt over mij en ik besluit mijn bestelling te veranderen in ‘een biertje graag’ en leg een muntje neer.
Ik besluit nog een rondje te lopen en terwijl de wedstrijd naar een climax dendert, pijnig ik mijn hersens met de vraag of ik nu nog twee biertjes zal drinken of toch maar een wijntje. Ik besluit tot het laatste, op de koop toe nemend dat ik daarvoor twee muntjes kwijt ben, het equivalent van 4 euro, en dat voor goedkope caféwijn in een plastic glaasje met voet en een maatje ter grootte van een portglas. Zinnend op een list denk ik opeens aan het Zwitsers zakmes dat ik altijd bij me heb. En terstond overmeestert mij een gevoel van triomf.
Bevrijd van zorgen wandel ik in de richting van mijn genoegdoening. En als Laurens ten Dam – ook al zo’n held; geschonden aangezicht – de wedstrijd wint, iets waar ik intussen nauwelijks meer oog voor heb, arriveer ik weer bij het meisje.
Onze blikken ontmoeten elkaar, in haar ogen herkenning. ‘Nog een biertje, meneer?’. ‘Nee, dank u wel, een rode wijn graag’.
Het meisje schenkt in en zet het glas voor mij neer op de formica bar, alwaar zij anderhalf muntje ontwaart. En terwijl zij haar mond opent om iets te zeggen zeg ik, mij verontschuldigend: ‘Ach, dat is waar ook, u moet twee muntjes rekenen’, waarop ik naar mijn broekzak grijp. Ik diep er de andere helft van het muntje uit op en leg die met een vriendelijke knipoog in de richting van het meisje naast de andere betaalmiddelen. Ik grijp mijn glas wijn en loop om niets te hoeven missen van haar reactie achteruit bij het dranktentje weg. Eerst sprakeloos, dan geamuseerd kijkt zij mij na. Er is verstandhouding. Wij kennen geen venijn, het meisje en ik.