Kees de Ruwe | De Ruwe projectmanagement

Uit naar Lienden

Ergens tussen Zetten en Hemmen staat een bord met het opschrift ‘Bodemverontreiniging melden’. Vroeger stond dat bord er niet. Toen waren er nog geen bodemverontreinigingen.
In het begin van de jaren zestig fietste ik hier eenmaal per jaar op weg naar het voetbalveld van Lien-den. Het was altijd koud. Voetballen doe je in de winter. Geen sport voor watjes.
Om de week speelden we uit. Op zaterdag direct na school verzamelen om later in de middag in het een of andere godverlaten oord ons beste beentje voor te zetten. We moesten wel vaker een flink eind verderop, maar Lienden – ergens ver weg in de Betuwe – spande de kroon. Veertig kilometer heen en veertig kilometer terug.
Onze voetbalclub had het predikaat RKSV, dat zoveel betekende als Rooms Katholiek Sport Vereni-ging. De club was van de jezuiëten, die nog midden in het Rijke Roomse Leven stonden. De jeugd van de van de club stond onder de bezielende leiding van twee broeders, Maximus en Mariano. Broe-der Maximus droeg een guitig brilletje en was klein en gedrongen. Broeder Mariano niet; die was lang en mager. Broeder Maximus had zwart haar, borstelig en met grijze strengen erdoor. Broeder Mariano daarentegen was kaal, maar aan zijn wenkbrauwen te zien was hij vermoedelijk blond geweest. Hoe verschillend ze ook oogden, de broeders leken op elkaar. Ze waren goedmoedig en hadden allebei iets kloekerigs over zich. Ze waren recht door zee en onversneden. Op een jezuïetenstreek hebben wij ze nooit kunnen betrappen. Op de een of andere manier vulden ze elkaar perfect aan. Maximus en Mariano pasten bij elkaar als paardebloemen bij het vroege voorjaar.
Omdat ze van een rijke orde waren, hadden ze allebei een brommer. Het was een apparaat zonder versnellingen, merk Mobilette, een ding dat populair was bij heren van middelbare leeftijd. Gemotori-seerde vrouwen bestonden er in die tijd nog niet. Later mochten ze een Solex. Onze trainer had zo’n ding. Verschil moest er wezen; de trainer een Solex, de prelaten een mobilette en de voorzitter een scooter. Een auto heb ik in die tijd nooit op het terrein gezien. We waren geen topclub.
Op woensdagmiddag werd er getraind. De trainer was er niet. Die had een gewone baan en moest dus gewoon moest werken. Daarom stelde hij doorgaans de oefenstof op schrift, opdat de broeders daarmee aan de slag konden. Zij deden dit niet altijd even oordeelkundig, maar wij wisten dat toen nog niet. En wat niet weet, dat niet deert. De trainingen verliepen trouwens niet altijd even gestructu-reerd. Je kon merken dat Maximus en Mariano zelf een broertje dood hadden aan ingewikkelde oefe-ningen. Daarom duurden ze meestal maar kort. Een minuutje of zeven en we gingen een partijtje doen. Dan stroopten de broeders hun soutane op om een balletje mee te trappen. Hun benen als harige melkflessen maakten hen meteen minder heilig, ook al omdat ze niet begiftigd waren met veel talent. Ze konden er kort en goed geen hout van. Wij speelden hen naar hartelust door de benen, een lief-hebberij van echte voetballers en vele malen belangrijker dan het scoren van doelpunten. Trainingen waren ook veel leuker dan wedstrijden. Bij thuiswedstrijden waren Mariano en Maximus in geen velden of wegen te bekennen, omdat ze dan mee waren met de uitelftallen, en aan uitwedstrijden hadden we helemaal een broertje dood. Alles ging op de fiets. De elftalleider voorop, wij er achteraan en daar weer achter Maximus – of Mariano al naar gelang wiens beurt het was – als gemotoriseerde waakhond. Er werd wat afgeklierd onderweg. De brave broeder moest zijn uiterste best doen om ons een beetje in het gareel te houden.
Lienden uit was voor de broeders het minste probleem. Na Elst was het geklier wel afgelopen, bij Valburg verstomden de gesprekken en bij Andelst begonnen de benen pijn te doen. De kou en de wind – altijd uit het westen – deden zich steeds meer voelen en voor het ontluikende voorjaar hadden we allang geen oog meer. We ploeterden verder naar Zetten en Hemmen, waar de bodem misschien al werd verontreinigd. Zuchtend en steunend door naar Opheusden en Kesteren en op onze laatste be-nen naar Lienden, waar we met de tong op de schoenen arriveerden.
Even later kwamen we trillend van vermoeidheid de kleedkamer uit. We konden geen beentje meer voorzetten, laat staan ons beste. De wedstrijd was gauw gespeeld. We kregen kansloos met 5-0 langs de klungels. Het was de enige keer in het jaar dat ik voetballen verafschuwde. Daar hielp geen lieve broeder aan.
Met de wind in de rug en de zekerheid dat we thuis zouden winnen, zag de toekomst er op de terug-weg alweer een stuk rooskleuriger uit. Dat ooit de bodem onder onze fiets zou blijken te zijn verontrei-nigd, kwam toen nog niet in ons op. De wereld was overzichtelijk, het woord ‘bodemverontreiniging’ bestond nog niet en er waren nog broeders.