Kees de Ruwe | De Ruwe projectmanagement

Een zondag in juli

Het was zomer 1967. De knapenleeftijd had ik ternauwernood bereikt en daar stond ik op een warme julizondag op Pont Neuf, hartje Parijs. Samen met een vriend had ik mij al vroeg in de morgen midden op de brug geposteerd, gewapend met baguettes en kouwe thee met veel suiker.
We waren voor een dag of tien naar de lichtstad getrokken en hadden ons enkeldaks tentje opgesla-gen in een kloostertuin ergens in Quartier Latin. Het klooster werd bewoond door paters van een orde met een onuitsprekelijke naam, die ik dan ook vergeten ben. Als nieuwsgierige schooljongetjes had-den we alle curiositeiten van het magische Parijs bezocht, van de Eiffeltoren tot Place Pigalle, van het Louvre tot Père Lachaise, van de Arc du Triomphe tot Place des Vosges en alles wat daartussen zit. Wij voelden ons sterk en volwassen genoeg om de hele wereld aan te kunnen, maar waren tegelijker-tijd te bleu en te timide om onze bronstige interesse voor de Franse meisjes om te zetten in daden van hartstocht.
En nu stonden we daar op de laatste dag van onze vakantie, uit te kijken naar waar we al die dagen al naar hadden uitgekeken: de Tour de France. Thuis was het fietsen mij met de paplepel ingegoten en ik was er trots op dat een neef van mijn vader coach was bij de plaatselijke wielerclub. De Tour de France was in mijn ogen een soort walhalla. Maar eerlijk gezegd was ik maar voor één man gekomen, Jan Janssen, de drager van de groene trui. Vandaag, in de afsluitende tijdrit van Versailles naar Pa-rijs, zou hij als de nummer twee van het klassement als één na laatste van start gaan. Het zou een lange dag worden.
De man uit Nootdorp was razend populair, ook in Frankrijk, al was het maar omdat hij reed voor het Franse biermerk Pelforth. Oud-wereldkampioen was hij en al eerder winnaar van de groene trui in de Tour de France. Ook dit jaar was hij al verzekerd van het puntenklassement, waarvoor die trui stond, en deze grootheid zouden wij vandaag in levenden lijve gaan aanschouwen. Hij was mijn held.
We genoten van de reclamekaravaan, de acrobaten op de motoren, het Michelinmannetje, de ronde-missen en de rest van het circus dat aan onze ogen voorbijtrok. Ook daarna viel er genoeg te genie-ten: van rustig peddelende coureurs tot met hun krachten smijtende kanshebbers op de overwinning in deze race tegen de klok.
Toch was het voor mij ook weer niet écht genieten. Daarvoor was de verwachtingsvolle spanning te groot. Naarmate het moment suprème naderde werd ik nerveuzer en nerveuzer. Mijn hart ging sneller kloppen en allengs verflauwde ook mijn interesse in de koers en de van minuut tot minuut langsflit-sende coureurs. Ik had genoeg aan mijzelf en mijn held. Ik raakte meer en meer in mijzelf gekeerd, teneinde mij voluit te kunnen concentreren op de enkele ogenblikken van gelukzaligheid die ik zou gaan beleven, wanneer hij zou passeren. Gelukkig werd ik bijtijds uit mijn overpeinzingen gehaald door verschillende omstanders, die mij op de schouders sloegen onder het herhaaldelijk uitroepen van de mij tot dan onbekende kreet “zjanzzhen”. En warempel, in de verte ontwaarde ik een groen stipje, dat met grote snelheid naderbij kwam. Het stipje werd groter en groter; het bewoog zich recht vooruit, geen geslinger over de weg, geen schokkende bewegingen van het bovenlichaam, een gestroomlijnde pedaaltred. Onversaagd maalden de benen door; het lichaam strak voorover op de fiets; het hoofd met een wilskrachtige blik vooruit over het stuur; de ogen verborgen achter een goudkleurige zonnebril. Diepe groeven doorsneden het door drie weken zon gebruinde gelaat. Hier reed een mens die vele beproevingen had doorstaan. En wat was hij lelijk! Zo lelijk als een wielrenner hoorde te zijn. Het was een lelijkheid die bij nadere beschouwing omsloeg in een goddelijke schoonheid. Want hier reed de vleesgeworden wilskracht! Wat was zijn trui mooi en wat waren zijn benen glad en zijn gespierde kuiten lang! Zo zag een vedette er dus uit. En ik had hem gezien. Van heel dichtbij had ik hem gezien en toch was hij onbereikbaar ver gebleven.
In dat ene ogenblik dat hij voorbij flitste, kwam ik intuïtief aan de weet dat ik voor eeuwig van het hel-dendom verstoken zou blijven en dat mijn naam nooit in enige encyclopedie zou worden opgenomen. Ik zou voor altijd naamloos blijven en ondergaan in de grauwe massa.
Even later moet het nummer één voorbij zijn gekomen. Ik zag wel iets geels, maar wist niet of dat een trui was of het geel dat zich vermengde met het groen voor mijn ogen, ontstaan door de staat van verwarring waarin ik verkeerde. Een jaar later zag ik op de televisie Jan Janssen de Tour de France winnen. Toen mijn held huilend van vreugde in de armen van zijn vrouw viel, huilde ik stilletjes met hem mee.