Kees de Ruwe | De Ruwe projectmanagement

Een dafje in frankrijk

In de laatste zomer van de wilde aksiejaren zeventig togen wij naar Frankrijk, naar de Alpen, om precies te zijn. Nog nooit daar vertoefd waren wij vol verwachting van wat het hooggebergte ons zou brengen. We kenden het alleen van foto’s en vage televisiereportages over skiwedstrijden en de Tour de France. We waren te jong voor levenservaring, zonder zorgen en nog ongeremd verliefd. En we hadden nog weinig te makken. Blij waren we met ons aftands autootje, een Daf 33. We hadden het voor een habbekrats gekocht en trots als we waren op onze aanschaf hadden we het ook een naam gegeven: ‘Dafje’, niet erg origineel, maar wel zo gemakkelijk. Dafje was karamelkleurig, eigenwijs en altijd vooraan in de file.
Binnendoor reden we, vanuit Nijmegen, Valkenswaard voorbij, de grens over bij Borkel en Schaft, door de Kempen naar de Ardennen. Daar nam Dafje dapper zijn eerste haarspeldbochten en schonk ons het vertrouwen dat nodig was om straks de hoge bergen te overwinnen. Als we moesten dalen, drukten we op het dashboard een knopje in, waarachter volgens de gebruikelijk onleesbare handleiding een zogenaamde bergversnelling schuilging. Wij vermoedden dat dit was om bij het naar beneden rijden niet op de rem te hoeven trappen, maar wisten het vooraf niet zeker. We waren er al snel achter dat het knopje bergop niet hielp – we gingen niet sneller –, wat onze vermoedens leek te bevestigen. Op de onzichtbaar steile achtstrookssnelweg achter Luik kwam de kilometerteller zelfs niet verder dan 30, ook niet als wij tot hilariteit van de andere weggebruikers, bij wijze van steun aan Dafje, onze bovenlichamen heftig in voorwaartse richting heen en weer bewogen. Bergaf produceerde de motor een heel ander geluid dan wij op een gewone recht-toe-recht-aan-weg bij ons thuis gewend waren, maar dat verontrustte ons geenszins. Het kon niet anders, of het was de bergversnelling. Hoe dan ook hadden we na de Ardennen het gevoel ervaren bergrijders te zijn geworden. Dafje en wij konden niet meer stuk.
Verder ging het de Franse grens over naar Lotharingen. Daar snoven we flarden katholieke historie op in de kathedralen van Metz, Reims en Nancy. Eenmaal thuisgekomen zouden we immers melding moeten maken van de opgesnoven cultuur, erudiet als we vonden dat we moesten zijn. Voort ging het daarna over driebaanswegen, waar wij veiligheidshalve ter rechterzijde bleven teneinde elk risico op kop-frontbotsingen te vermijden. De tijd was aan ons en onbekommerd reden we door het Franse land. Na drie dagen bereikten we ons reisdoel in de Alpen. Annecy. Aan de oevers van het gelijknamige mee sloegen wij ons tentje op. Daar lieten we Dafje voorlopig Dafje en gaven ons over aan zalig nietsdoen. Actieve vakanties bestonden toen nog niet, of het moest een beetje wandelen zijn. Er waren ook nog geen fietsers die lange trektochten maakten, laat staan idioten die negen keer op één dag tegen de Alpe d’Huez opfietsten.
We kampeerden op witte bonen en tomatensaus en chemische wijn uit literflessen met een plastic wipdopje. Onze avonden werden verrijkt door gesprekken met een Amerikaans stel, aan wie we zonder bezwaard gemoed al onze vooroordelen over Amerika en de Amerikanen kwijt konden. Met het meer aan onze voeten en de sterren boven ons hoofd zetten we vaak tot diep in de nacht bomen op over een betere wereld. Het verbeterplan leverden we er uiteraard bij. Overdag beidden wij onze tijd met het uitslapen van onze roes, met zonnebaden, een stapel meegebrachte boeken en doelloos slenteren door de stad. Na een dag of zes was het onbekende bekend geworden. Tevoren hadden we gedacht hier drie weken te blijven, maar voor lusteloos nietsdoen waren wij van nature toch te rusteloos. We begonnen te hunkeren naar nieuwe Franse Alpen en dus braken we op en trokken samen met Dafje verder en hoger. Onderweg kampeerden we in het wild. We bezochten de Mont Blanc en Chamonix. Een paar dagen bleven we middenin het verlatene. Bij snelstromend kraakhelder water, ergens in een nauw dal, waar de dagen kort en warm waren en de nachten lang en koud. Daarna ging het verder. Naar het meer van Genève, dat de Alpen en de Jura van elkaar scheidt. Daar, aan de zuidelijke oever van het meer, was ons volgende tussenstation. Evian, de plaats waaraan een beroemd bronwater zijn naam ontleent. We genoten volop en toch was het maar voorspel van wat nog zou komen, hoe onwetend wij daarvan ook waren.
Opeens was er de Tour de France. Onverhoeds overviel hij ons. Nietsvermoedend kuierend door het bronwaterstadje hoorden wij plotsklaps een opgewonden stem iets door luidsprekers roepen, dat ons vaag bekend voorkwam: ‘Gkerrie Kneedmahn, champion du monde, trois secondes en avant”. In een flits begreep ik wat er aan de hand was, greep mijn lief bij de hand en snelde met haar achter mij aan in de richting vanwaar het geluid kwam. Juist op tijd zagen we iets wat leek op anderhalve seconde stomme film over een horde fietsers, maar dan in kleur en voorzien van commentaar. Als we ze niet echt over de meet hadden zien stormen, hadden we nooit geloofd dat hier de belangrijkste wielerkoers ter wereld zijn tijdelijke domicilie had gekozen. Even later vernamen wij van de opgewonden commentaarstem dat de wereldkampioen helaas in zijn heroïsche vluchtpoging was blijven steken. De winnaar was Marc de Meijer, een Vlaming die enkele jaren later zijn jonge leven zou laten in een auto-ongeluk. Wij vonden het hele circus met radio- en tv-commentatoren, de huldigingen voor allerhande truien en de gewichtigdoenerij van allerlei officials lachwekkend. Maar toch, dat hele circus oefende op de een of andere magische manier ook een grote aantrekkingskracht op ons uit.
Toen alles was opgebroken ijlden wij naar een krantenkiosk om te kunnen vaststellen, waar de karavaan zich de volgende dag zou ophouden. De start bleek in het nabijgelegen stadje, Thonon les Bains, te zijn en de finish 55 kilometer verderop in het ’s zomers van God en alleman verlaten skioord, Avoriaz, 8 kilometer voorbij het hoog in de bergen gelegen Morzine. En wat tot ons geluk het mooiste was, het ging om een rit tegen de klok; de renners zouden één voor één de berg opgaan, dus wij zouden ze ook één voor één kunnen aanschouwen, als we er maar op tijd bij waren.
In alle vroegte gingen we de volgende dag met Dafje op pad, bang als we waren dat de tijd ons zou achterhalen. Na een uurtje rijden installeerden we ons op acht kilometer voor de top met goed zicht op de zich omhoog kronkelende weg onder ons, zodat we niets van het spektakel zouden hoeven missen. Het wegdek was beklad met aanmoedigingen en de wegkant werd bevolkt door vreemd uitgedoste lieden, die net als wij een dag onder de pannen waren. Het waren veelal Fransen, die van plan waren het aangename met het nog aangenamere te verenigen, getuige de vele tevoorschijn getoverde kippenpoten, salades en stokbroden. Zij maakten er een echt dagje uit van, terwijl wij niet verder waren gekomen dan een nuttig broodtrommeltje.
Na een poosje kwam de eerste renner de berg op. De nummer laatst in het klassement. Hij wist de toeschouwers een daverend applaus en luide toejuichingen te ontlokken. Daarin slaagden de volgende honderd deelnemers bij lange na niet. Velen van hen werd zelfs geen oog gegund, zo druk waren mensen langs de kant met hun eigen besognes. Pas het nummer 59 van het klasse-ment viel dezelfde eer te beurt als de eerst passerende – er waren toen al uren verstreken. Maar dit nummer 59 was dan ook niemand minder dan de wereldkampioen, gemakkelijk te herkennen aan zijn regenboogtrui, bij ons bekend als ‘De Kneet’, maar bij de Fransen allen als ‘le champion du monde’, een titel die zij bij wijze van kreet uit aller monden lieten klinken. Ik kreeg er als landgenoot van de toegejuichte warme gevoelens van, ofschoon ik mij niet aan de indruk kon onttrekken dat de meeste toejuichers geen idee hadden welke naam bij deze ‘champion du monde’ hoorde.
Hierna viel het weer een tijdje stil tot meer dan een uur later de echte kanonnen de berg op kwamen stormen met als hoogtepunt de groene en de gele trui, respectievelijk de Fransman Hinault en de Nederlander Zoetemelk. Deze waren verwikkeld in een verbeten gevecht om de eindzege in Parijs; kracht tegen souplesse, bluf tegen ingetogenheid, spreker tegen zwij-ger,winnaar tegen verliezer. Hier, op deze berg werd de beslissende slag geleverd. Je zag het en je voelde het. De Fransen gingen uit hun dak, voor de winnaar én voor de verliezer. Beiden waren populair en beiden verdienden de steun van het Franse volk.
Ineens was het voorbij. In grote drommen daalde de massa de berg af. Iedereen spoedde zich naar zijn auto om maar zo snel mogelijk weer thuis te zijn. Als op afstand bekeken wij al het gedoe van jengelende kinderen, ongeduldige vaders, zich reppende moeders en claxonnerende, naar het voorhoofd wijzende, middelvinger opstekende en scheldende automobilisten. Daarna waren er stilte, weggegooide petjes en vlaggetjes, ronddwarrelend plastic, opwaaiend papier en op Dafje na een lege parkeerplaats. De zon begon te wijken voor zich dreigend samenpakkende donderwolken en terwijl wij in het bijzijn van Dafje nog wat dronken, vielen de eerste regendruppels.
Nauwelijks onderweg brak het noodweer los. De hemel werd groenzwart, de regen viel in een dicht gordijn naar beneden en bliksem en donder wisselden elkaar in hoog tempo af. Wij wisten niet of er reden was voor angst, maar als kind hadden wij geleerd dat als bliksem en donder samenvielen het wel eens gevaarlijk kon worden. Alleen met Dafje en de elementen zagen wij hoog boven ons het gebergte onheil spellen. Het leek of de rotswanden aan weerszijden van de weg ons gevangen wilden nemen. Ze werden geelgrauw en braakten hun water uit over het onder ons glibberende asfalt, dat langzamerhand meer weg had van een snelstromende rivier dan van de autoweg die wij er vermoedden. Zoiets hadden wij nog niet eerder meegemaakt. Het unheimisch gevoel sloeg om in onderhuidse angst, die zich meester maakte van mijn maagstreek en ik zag aan mijn lief dat het haar niet veel beter verging. Tegen beter weten in probeerden wij onszelf en elkaar moed in te spreken met het ene geruststellende cliché na het andere. Toen de regen overging in hagel sloeg de schrik ons om het hart. Dafje werd zo gegeseld, dat wij elkaar nauwelijks nog konden verstaan. En alle ruitenwissende pogingen van Dafje ten spijt zagen wij nauwelijks een hand voor ogen. Hoe in godsnaam konden wij hier ooit uitkomen? Onze angst deed ons sneller rijden dan we durfden.
En toen, toen de vertwijfeling het hoogst was, ontwaarden wij voor ons een rood lichtje en toen nog één, achterlichten, een auto, iets om ons aan vast te klampen, een beetje veiligheid, het gevoel niet langer alleen te zijn. Zo vervolgden wij onze weg, veilig sukkelend achter die rustbrengende autolichten. Na een poosje minderde de regen en werd het zicht beter. Vóór ons ontwaarden wij reclame op de auto en verder voor ons reden ook auto’s met reclame. Ongewild was Dafje de hekkensluiter geworden van de tour-de-france-volgauto’s-karavaan, die net zo tastend als wij op zoek was naar haar tijdelijke verblijfplaats.
Enkele dagen later was het quatorze juillet. ‘s Avonds in Besançon vlogen de voetzoekers ons om de oren. Wij sloegen er geen acht op. Na de helletocht door de Alpen kon weinig ons nog angst inboezemen.
Een jaar later won Joop Zoetemelk de Tour de France, moesten wij noodgedwongen afscheid nemen van Dafje en vierden wij onze eerste fietsvakantie.